Inclusieve bewegwijzering

Hoe houd je in de bewegwijzering rekening met mensen met een beperking (slechtziend, kleurenblind, rolstoelgebruikers)? Voor slechtzienden en kleurenblinden spelen contrastwaarden een belangrijke rol.

Bewegwijzering bestaat in vele vormen, is bestemd voor een diverse groep gebruikers én komt voor op de openbare weg maar ook op privéterreinen en in gebouwen.

De borden moeten daarom voldoen aan drie criteria. Ze moeten opvallend (vandaar het blauw-wit en de retroreflecterende materialen en/of verlichting) en zichtbaar zijn (dus niet pal achter een boom of kunstwerk en zeker bij openbare gebouwen ook toegankelijk voor rolstoelgebruikers). Daarnaast moeten ze leesbaar zijn (met genoeg contrast).

Leesweg
Goed leesbare bewegwijzering is een wetenschap op zich. Zo moet de zichtbaarheidsafstand globaal 1,5 x de leesbaarheidsafstand bedragen. Om de informatie op het paneel goed te kunnen lezen, moet er voldoende helderheidscontrast zijn tussen de opschriften zelf en de achtergrond. Om deze reden worden de opschriften in het algemeen in wit uitgevoerd op een blauwe achtergrond.

Dan is er ook nog zoiets als de leesweg. Dat is de afstand tussen het punt waar de informatie op de wegwijzer net leesbaar wordt (het leesbaarheidspunt) en het punt waar de wegwijzer uit het centrale gezichtsveld van de weggebruiker verdwijnt wanneer diens ogen op de weg en het verkeer zijn gericht (het verdwijnpunt).

De lettergrootte van de tekst is afgestemd op het type weg waarop de wegwijzers zijn geplaatst. De weggebruiker moet de aangeboden informatie kunnen lezen en verwerken zonder dat hij snelheid vermindert. Op een snelweg zijn de letters op de wegwijzers dus groter dan op een paddenstoel in een bos, omdat een auto zich vele malen sneller verplaatst dan een fietser of wandelaar.

De weggebruiker moet de aangeboden informatie kunnen lezen en verwerken zonder dat hij snelheid vermindert.